Klacht: Beroepscode deurwaarders geldt niet voor Dhr. van der Zwaag oneigenlijke dreiging

mvv77dfm op 09 januari 2019 over Bleeker Incasso in de categorie Incassobureaus

Nieuwe klacht
In behandeling
Klacht opgelost
Klacht afgesloten
Wacht op reactie
Klanttevredenheid: 1.0/10 ★☆☆☆☆
Categorie Incassobureaus
Status Open
Datum 9 januari 2019

Dhr. van der Zwaag, werkzaam bij Bleeker Incasso, wordt verweten dat hij zijn beroepscode niet naleeft door de vordering van zijn klant niet voldoende te onderzoeken, ondanks dat deze klant een kwijting heeft verzwegen. Tevens wordt er geklaagd over oneigenlijke dreiging met betrekking tot een betekening van een titel die niet ten uitvoer gelegd kan worden, waarbij Dhr. van der Zwaag vragen hierover onbeantwoord heeft gelaten.

Mijn Klacht:

Dhr. van der Zwaag, verbonden aan Bleeker incasso, is van mening dat zijn klant altijd gelijk heeft, ondanks dat zijn klant willens en wetens een kwijting heeft verzwegen. Hiermee voldoet Dhr. van der Zwaag niet aan zijn beroepscode en heeft zijn vordering niet onderzocht.
Dhr. heeft dit bedrag van mij ontvangen vanwege oneigenlijke dreiging door een betekening van een titel die niet ten uitvoer gelegd kan worden met de dreiging (desondanks) over te gaan tot tenuitvoerlegging en de kosten bij cliënt in rekening te brengen. Vragen hierover heeft Dhr. van der Zwaag onbeantwoord gelaten.

“Artikel 11 Gdw bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder te allen tijde verplicht is in het gehele arrondissement waarin zijn plaats van vestiging is gelegen de ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is, te verrichten wanneer hierom wordt verzocht, de zogenaamde ‘ministerieplicht’. Daar staat tegenover dat een gerechtsdeurwaarder als zelfstandig openbaar ambtenaar bij de uitvoering van zijn opdrachten een eigen verantwoordelijkheid heeft, waarbij hij zowel met de belangen van zijn opdrachtgever als met die van de wederpartij rekening dient te houden. Indien de opdracht, zoals in dit geval, het leggen van derdenbeslag betreft, bestaat die eigen verantwoordelijkheid erin dat marginaal dient te worden getoetst of de hem voor de beslaglegging verstrekte titel voldoende grond biedt voor het te leggen beslag.
[…] Gelet op het vérstrekkende en ingrijpende karakter van een beslag valt het bestaan van een bevoegdheid om beslag te leggen zonder een rechterlijk vonnis alleen te aanvaarden indien de vordering met voldoende bepaaldheid in de titel is omschreven. In het arrest RabobankVisser (26 juni 1992, NJ 1993, 449) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een notariële akte alleen dan een executoriale titel in de zin van art. 430 Rv oplevert indien deze betrekking heeft op toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding. Een dergelijke akte dient dan, aldus de Hoge Raad, de weg aan te geven waarlangs op voor de schuldenaar bindende wijze de grootte van het verschuldigd bedrag kan worden vastgesteld. Indien dat niet het geval is, levert een dergelijke akte geen executoriale titel op. Wat voor een notariële akte geldt, geldt evenzeer voor een vaststellingsovereenkomst. Hoewel deze tijdens en ter beëindiging van een geschil is opgesteld, is het een overeenkomst tussen partijen en is het geen rechterlijke beslissing. In zo’n geval is er des te meer aanleiding voor de gerechtsdeurwaarder om de titel te onderzoeken op het punt van executeerbaarheid.”

Het onderhavig convenant bevat enkel een begroting van kosten en daarnaast geen concrete betalingsverplichting, waar ik Dhr. van der Zwaag reeds op is gewezen. Dhr. van der Zwaag mag zich voor het inhoudelijk debat wellicht achter zijn opdrachtgever verschuilen, maar dat is niet mogelijk voor verantwoordelijkheden die bij zijn ambt liggen.

“Het vorenstaande wordt niet anders door de omstandigheid dat klagers (die de hoogte van vordering betwistten) ná het gelegde beslag een executiegeding aanhangig konden maken, zoals de gerechtsdeurwaarders hen hebben geadviseerd. De vraag die daaraan vooraf ging was immers of de vaststellingsovereenkomst wel geëxecuteerd kon worden. Die vraag diende door de gerechtsdeurwaarders beantwoord te worden.”

Ik heb uw deurwaarderskantoor dan ook een bedrag betaald onder oneigenlijke dreiging met een niet uitvoerbare titel (art. 3:44 BW). Cliënt vordert het betaalde bedrag bij dezen dan ook volledig terug van u c.q. uw kantoor, nu uzij het bedrag onrechtmatig, althans zonder rechtsgrond, heeft ontvangen.

Gewenste Oplossing:

Dhr. van der Zwaag erkent zijn fout en draagt zorg voor de onmiddelijke uitbetaling van het door hem gevorderde bedrag incl. een vergoeding voor wettelijke rente en geleden schade.

Beoordeling 1/10 star-1 (10)
Alle klachten die gemeld zijn door
💡

Tip van onze consumentenexpert

Als consument in Nederland heeft u sterke rechten. Bij klachten kunt u de interne klachtenprocedure doorlopen, naar de Geschillencommissie of het Kifid stappen, of advies vragen bij ConsuWijzer.

Bron: ConsuWijzer / ACM