12 jaren geleden - hieronder toch wettekst gekopieerd zie artikel 3 lid 2 en artikel 2a lid 9 !!!!
§ 2.1. Algemene tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten
Artikel 2
1. Recht op een van de draagkracht afhankelijke tegemoetkoming van het CAK heeft degene die in het berekeningsjaar behoort tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen groep van personen:
a. die gebruik maken van hulpmiddelenzorg, farmaceutische zorg, fysiotherapie, oefentherapie of geneeskundige zorg die behoort tot de verzekerde prestaties op grond van de Zorgverzekeringswet,
b. voor wie ingevolge artikel 9b, eerste of vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is vastgesteld dat zij aanspraak hebben op zorg, of
c. die gebruik maken van een individuele voorziening, die beoogt hen in staat te stellen een huishouden te voeren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, dan wel zich te verplaatsen in en om de woning als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld, waarbij de hoogte van de tegemoetkoming voor verschillende groepen op een verschillend bedrag kan worden vastgesteld.
3. De criteria, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c, kunnen indien dit met het oog op een betere werking van deze wet op korte termijn noodzakelijk wordt geacht, bij algemene maatregel van bestuur worden aangevuld.
4. Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
5. In afwijking in zoverre van de tweede en derde volzin van het vierde lid wordt, in geval de wijzigingen in de krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur meer omvatten dan een aanvulling van de criteria, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c, de algemene maatregel van bestuur niet ingetrokken, maar zodanig gewijzigd dat onverwijld dan wel met terugwerkende kracht tot en met de datum van inwerkingtreding van de wet uitsluitend de criteria waarmee de criteria, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c, zijn aangevuld, vervallen.
Artikel 2a
1. Geen recht op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bestaat indien het toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het berekeningsjaar hoger was dan € 24 570,– of indien het een belanghebbende met een partner betreft, hoger was dan € 35 100,–.
2. In afwijking van artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt voor de toepassing van artikel 2 en dit artikel onder partner van belanghebbende verstaan degene die, bezien naar de situatie op de laatste dag van het berekeningsjaar, de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot is en degene die op grond van artikel 1, tweede tot en met zevende lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten met een echtgenoot is gelijk gesteld of mede als gehuwd of als echtgenoot is aangemerkt.
3. Geen recht op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bestaat in afwijking van het eerste lid, voor degene die op de laatste dag van het berekeningsjaar minderjarig is, indien het toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het berekeningsjaar hoger was dan € 24 570,– of indien op hetzelfde woonadres als de minderjarige, de ouders of een ouder en diens partner, op de laatste dag van het berekeningsjaar in de basisregistratie personen staan ingeschreven, hoger was dan € 35 100,–.
4. Voor degene die op de laatste dag van het berekeningsjaar minderjarig is, wordt in afwijking van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, het toetsingsinkomen van zijn tot het voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud verplichte ouders dan wel een van zijn ouders en diens partner, die op de laatste dag van het berekeningsjaar op hetzelfde woonadres als de minderjarige in de basisregistratie personen staan ingeschreven, voor de toepassing van het derde lid in aanmerking genomen.
5. Het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van een belanghebbende indien:
a. zijn partner krachtens artikel 2, eerste lid, recht heeft op een hogere tegemoetkoming dan de belanghebbende of recht heeft op een even hoge tegemoetkoming en ouder is dan de belanghebbende, of
b. een persoon die op de laatste dag van het berekeningsjaar minderjarig is, op hetzelfde woonadres als de belanghebbende in de basisregistratie personen stond ingeschreven en behoorde tot het huishouden van de belanghebbende en die krachtens artikel 2, eerste lid, recht heeft op een hogere tegemoetkoming dan de belanghebbende.
6. Het derde lid vindt geen toepassing ten aanzien van een belanghebbende indien een persoon die op de laatste dag van het berekeningsjaar op hetzelfde woonadres als de belanghebbende in de basisregistratie personen stond ingeschreven en behoorde tot het huishouden van de belanghebbende, en die krachtens artikel 2, eerste lid, recht heeft op een hogere tegemoetkoming dan belanghebbende of een even hoge tegemoetkoming als belanghebbende en ouder is dan de belanghebbende.
7. De hoogte van het toetsingsinkomen waarboven geen aanspraak bestaat op de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid onderscheidenlijk derde lid, kunnen jaarlijks bij regeling van Onze Minister worden gewijzigd voor zover de tabelcorrectiefactor, genoemd in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, daar aanleiding toe geeft.
8. In afwijking van artikel 2, eerste lid, heeft degene die niet verzekerd is krachtens een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, geen recht op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tenzij hij militaire ambtenaar in werkelijke dienst is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a juncto onderdeel b, van de Militaire ambtenarenwet 1931, dan wel een militair is aan wie buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten is verleend.
9. Het CAK verleent bij het ontbreken van een in aanmerking te nemen toetsingsinkomen, de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
Artikel 2b
Geen recht op een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, wordt verleend voor degene die gedurende het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, is overleden.
Artikel 3
1. Het bestuur van het CAK stelt ambtshalve het recht op en de hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, vast.
2. Het CAK verstrekt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor het einde van het kalenderjaar volgend op het berekeningsjaar.