Mijn Klacht:
Stichting Altrecht discrimineerde een vrouw door haar niet te laten deelnemen aan een groepstherapie met een assistentiehond.
Oordeelnummer: 2023-38
Datum: 30-03-2023
Taal: Nederlands
Trefwoord: Bewijsvermoeden niet toegepast, Direct onderscheid, Ontvankelijkheid
Discriminatiegrond: Handicap of chronische ziekte
Terrein: Goederen en diensten – Gezondheidszorg
Situatie
Een vrouw, die een psychische kwetsbaarheid heeft, was in behandeling bij de afdeling AMBIT (adaptive mentalization based treatment) van Stichting Altrecht (hierna: Altrecht), een GGZ-instelling. Bij deze therapie wordt geleerd om het eigen, maar ook andermans gedrag in termen van interne mentale toestanden te zien met als doel om het eigen gedrag en dat van anderen beter te begrijpen. De vrouw wilde bij Altrecht gaan deelnemen aan de Mentalization Based Treatment groepstherapie (hierna: MBT-groepstherapie). Zij heeft een hond die in opleiding is tot assistentiehond. Zij heeft aan Altrecht om toestemming gevraagd om haar hond mee te mogen nemen naar de MBT-groepstherapie.
Altrecht heeft de vrouw laten weten dat dit niet kan, omdat een hond teveel afleiding geeft in de groep. Ook zouden er mensen in de groep kunnen zijn, die bang of allergisch zijn voor honden. Daarna heeft Altrecht de reden voor de weigering gewijzigd in de reden dat de inzet van een assistentiehond niet in overeenstemming is met het doel van de psychotherapie: het meer kunnen begrijpen en reguleren van eigen gevoelens en gedachten in contact met de ander.
De vrouw heeft Altrecht in een e-mail gevraagd of er niet in overleg kon worden bekeken wat er wel en niet kan met betrekking tot haar assistentiehond. Daarna heeft de vrouw laten weten dat op een andere locatie van Altrecht assistentiehonden wel worden toegelaten tot de MBT-groepstherapie. Zij wil daar echter niet meer aan meedoen. De huisarts van de vrouw heeft haar vervolgens verwezen naar een andere GGZ-aanbieder. Daarna heeft Altrecht een protocol vastgesteld, waarin zij heeft vermeld dat assistentiehonden, waaronder ook assistentiehonden in opleiding, worden toegelaten tot haar instelling.
De vrouw voert bij het College aan dat Altrecht jegens haar verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door haar assistentiehond niet toe te laten tot de MBT-groepstherapie.
Altrecht is het hier niet mee eens. Zij was destijds van mening dat het niet toelaten van de assistentiehond bij de groepstherapie objectief gerechtvaardigd werd door een legitiem doel en dat de maatregel ook evenredig was aan het doel.
Beoordeling
Altrecht mag geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maken bij het verlenen van toegang tot diensten.
Het verbod van onderscheid houdt mede in dat Altrecht naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen moet verrichten, tenzij deze voor haar onevenredig belastend zijn. Een doeltreffende aanpassing is een aanpassing die geschikt en noodzakelijk is om belemmeringen als gevolg van een handicap of chronische ziekte weg te nemen.
Het College stelt vast dat de vrouw aan Altrecht heeft gevraagd of zij met haar assistentiehond mocht deelnemen aan de MBT-groepstherapie. Dit verzoek kan worden aangemerkt als een verzoek om een doeltreffende aanpassing. Daarmee is voor Altrecht een verplichting ontstaan om actief en in overleg met de vrouw te onderzoeken of er een oplossing mogelijk is om haar met haar assistentiehond toe te laten tot de MBT-groepstherapie. Het College is van oordeel dat niet is gebleken dat Altrecht actief en in overleg met de vrouw heeft onderzocht of er een oplossing mogelijk was. Hierbij is van belang dat de vrouw steeds het initiatief heeft genomen tot een oplossing. Ook staat vast dat de vrouw geen antwoord heeft ontvangen op haar e-mail, waarin zij Altrecht heeft gevraagd of er niet in overleg kon worden bekeken wat er wel en niet kan met betrekking tot haar assistentiehond. Het College concludeert dan ook dat Altrecht in dit opzicht jegens de vrouw verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt.
Het College stelt vast dat het toelaten van de assistentiehond tot de MBT-groepstherapie voor de vrouw geschikt en noodzakelijk is om de beperkingen als gevolg van haar chronische ziekte te verminderen. Daarmee is het een doeltreffende aanpassing. Ook staat vast dat Altrecht deze doeltreffende aanpassing niet heeft verricht. Altrecht heeft dan ook jegens de vrouw onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt. Dit is verboden tenzij de toelating van de hond onevenredig belastend is voor Altrecht.
De enige reden die Altrecht voor de weigering heeft gegeven, is, dat het toelaten van een assistentiehond niet in overeenstemming is met het behandeldoel van de MBT-groepstherapie. Het College is van oordeel dat als de toelating van de hond de vrouw en/of andere deelnemers aan de therapie zou hinderen in het toewerken naar de behandeldoelen, dit een reden zou kunnen zijn om niet tegemoet te komen aan het verzoek. Altrecht heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Opgemerkt wordt nog dat Altrecht vanaf 17 oktober 2022 assistentiehonden toelaat in haar organisatie. Van het hinderen van de behandeldoelen lijkt dus geen sprake te zijn.
Het College concludeert dat Altrecht jegens de vrouw verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door haar niet toe te laten tot de MBT-groepstherapie met haar assistentiehond.
Oordeel
Stichting Altrecht heeft jegens de vrouw verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.
Oordeel 2023-38
Datum: 30 maart 2023
Dossiernummer: 2023-0530
Oordeel in de zaak van
[. . . .]wonende te [. . . .], verzoekster
tegen
Stichting Altrecht
gevestigd te Zeist, verweerster
1 Verzoek
Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door haar niet te laten deelnemen aan de MBT-groepstherapie met een assistentiehond.
2 Verloop van de procedure
2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
verzoekschrift van 5 oktober 2022, ontvangen op dezelfde datum;
verweerschrift van 21 februari 2023.
2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2023. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd vergezeld door [. . . .], ambassadeur bij Bultersmekke Assistancedogs, en [. . . .], psychiater. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. D. Zwartjens, advocaat te Leiden, die werd vergezeld door [. . . .], psychiater en [. . . .], psychiater en directeur Zorg van de regio Utrecht Stad.
3 Feiten
3.1 Verweerster is een instelling voor geestelijke gezondheidszorg die als doel heeft om psychische aandoeningen te voorkomen, te behandelen en te genezen. Verzoekster is in april 2021 bij verweerster in behandeling gekomen en is gestart bij AMBIT (adaptive mentalization based treatment) op de locatie Utrecht-Zuid. Bij deze therapie wordt geleerd om te mentaliseren: dit is de vaardigheid om het eigen, maar ook andermans gedrag in termen van interne mentale toestanden te zien met als doel om het eigen gedrag en dat van anderen beter te begrijpen. Verzoekster wilde bij verweerster gaan deelnemen aan de Mentalization Based Treatment groepstherapie (hierna: MBT-groepstherapie).
3.2 Verzoekster heeft sinds begin juli 2021 een hond, die als pup bij haar is gekomen. Deze hond is vanaf juli 2021 in opleiding tot assistentiehond bij Bultersmekke Assistancedogs. Verzoekster heeft in juli 2021 aan verweerster om toestemming gevraagd om haar hond mee te mogen nemen naar de MBT-groepstherapie. Een arts in opleiding tot psychiater heeft verzoekster laten weten dat dit niet kan, omdat een hond teveel afleiding geeft in de groep. Ook zouden er mensen in de groep kunnen zijn die bang of allergisch zijn voor honden. Daarna heeft verweerster de reden voor de weigering gewijzigd in dat de inzet van een hulphond niet strookt met het doel van de psychotherapie: het meer kunnen begrijpen en reguleren van eigen gevoelens en gedachten in contact met de ander. In een e-mail van 20 juli 2021 heeft verzoekster gevraagd of er niet in overleg kan worden bekeken wat er wel en niet kan met betrekking tot haar assistentiehond.
3.3 Verzoekster heeft in een e-mail van 26 augustus 2021 aan een GZ-psycholoog in opleiding tot klinisch psycholoog bij verweerster geschreven dat het voor haar geen optie meer is om de MBT-behandeling te gaan doen; ook niet als haar hond wel mee mag. Zij voelde zich door de hele discussie steeds bezwaard om met de hond naar verweerster te komen, omdat zij steeds het gevoel heeft dat ze iets verkeerd doet of mensen stoort. Ze ziet daarom niet in hoe ze op een goede manier met de hond in de groep kan zijn.
3.4 In een e-mail van 19 januari 2022 heeft verzoekster aan een psychiater bij verweerster bericht dat MBT-therapie met haar assistentiehond misschien toch een optie is, namelijk bij de locatie van verweerster in Nieuwegein. Zij heeft gehoord dat assistentiehonden daar wel in de groep mogen. Verzoekster heeft deze psychiater in een e-mail van 21 januari 2022 meegedeeld dat zij de MBT niet meer bij haar afdeling wil doen en dus ook niet in Nieuwegein.
3.5 De huisarts van verzoekster heeft haar met ingang van februari 2022 naar een andere GGZ-aanbieder verwezen.
3.6 Verweerster heeft verzoekster in februari 2022 een individuele MBT-therapie aangeboden, waarbij zij haar assistentiehond mag meenemen, of om de MBT-groepstherapie in Nieuwegein te volgen. Verzoekster heeft beide voorstellen afgeslagen.
3.7 Verweerster heeft op 17 oktober 2022 een protocol (hierna: het protocol) vastgesteld, waarin is vermeld dat assistentiehonden, waaronder ook assistentiehonden in opleiding, ongeclausuleerd worden toegelaten.
4 Standpunt verzoekster
Verzoekster stelt dat verweerster jegens haar verboden onderscheid op grond van handicap of chronische heeft gemaakt door haar assistentiehond niet toe te laten tot de MBT-groepstherapie. Hiertoe voert zij aan dat verweerster in eerste instantie als reden voor de weigering voornamelijk de argumenten allergie, angst en afleiding heeft genoemd. Later heeft verweerster dit standpunt echter veranderd in dat een hulphond haaks staat op haar behandeldoelen met de MBT-therapie. Deze behandeldoelen zijn dat deelnemers zelf moeten leren omgaan met situaties en emoties en niet dat de assistentiehond dat voor hen doet. Deze behandeldoelen van verweerster komen echter niet overeen met haar doel, dat zij alles samen met haar assistentiehond wil leren.
5 Standpunt verweerster
5.1 Verweerster betwist dat zij jegens verzoekster onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt. Hiertoe voert verweerster aan dat zij destijds van mening was dat het niet toelaten van de assistentiehond bij de groepstherapie objectief gerechtvaardigd werd door een legitiem doel en dat de maatregel ook proportioneel was. Bij de MBT-behandeling wordt deelnemers geleerd om op te merken dat hun spanning oploopt en hier adequaat op in te grijpen in interactie met de therapeuten en andere groepsleden. De inzet van de assistentiehond zou de emotieregulatieproblematiek in stand kunnen houden, doordat het opmerken en reguleren van de spanning deels wordt uitbesteed.
5.2 Ook voert verweerster aan dat de discussie met verzoekster ertoe heeft geleid dat het beleid ten aanzien van de assistentiehonden intern onder de aandacht is gekomen en uiteindelijk formeel is vastgesteld dat assistentiehonden steeds welkom zijn. Dit heeft mogelijk wat langer geduurd dan verzoekster graag had gezien, maar in de tussentijd is zij steeds met verzoekster in gesprek gebleven. Daarnaast kon verzoekster ongeclausuleerd deelnemen aan de individuele therapie.
6 Beoordeling
Ontvankelijkheid
6.1 Voordat het College de inhoud van het verzoek kan toetsen, beoordeelt het of verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek. Verweerster stelt dat verzoekster geen belang heeft bij een oordeel omdat de assistentiehond nog niet in definitieve zin was geweigerd, toen zij zich in februari 2022 tot een andere GGZ-instelling heeft gewend. Er vond op dat moment nog overleg plaats over het eventueel alsnog toestaan van de assistentiehond bij de MBT-groepstherapie en verzoekster was hiervan op de hoogte. Daarnaast was de assistentiehond hoe dan ook welkom bij de individuele therapie. Ook is inmiddels haar beleid, dat assistentiehonden ongeclausuleerd worden toegelaten, definitief vastgesteld en dat beleid is volledig in lijn met de geldende gelijkebehandelingswetgeving. Verweerster heeft dit beleid naar eigen zeggen vastgesteld voordat verzoekster haar klacht bij het College had ingediend. Verweerster vraagt het College om oog en oor te hebben voor de zorgvuldigheid die zij heeft betracht bij de totstandkoming van het nieuwe beleid, waarbij zij steeds rekening heeft gehouden met het belang van verzoekster.
6.2 Een verzoek om een oordeel kan worden ingediend door degene die meent dat in zijn nadeel onderscheid is gemaakt (artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel a, Wet College voor de Rechten van de Mens (WCRM)). Het College stelt vast dat verzoekster van juli 2021 tot februari 2022 heeft geprobeerd om van verweerster toestemming te verkrijgen om haar assistentiehond toe te laten tot de MBT-groep. Verweerster heeft dit steeds geweigerd. Het College is van oordeel dat verzoekster daarmee nadeel heeft opgelopen. Zij kon met haar assistentiehond niet terecht in de MBT-groep bij AMBIT op de locatie Utrecht-Zuid, waardoor zij heeft moeten besluiten om zich vanaf februari 2022 tot een andere GGZ-instelling te wenden. Verzoekster vraagt om een situatie die zich heeft voorgedaan te beoordelen in het licht van het gelijkebehandelingsrecht en heeft dan ook een eigen, persoonlijk belang bij een oordeel. Ook overweegt het College dat de stelling van verweerster dat verzoekster haar klacht bij het College heeft ingediend nadat zij het protocol had vastgesteld, onjuist is. De klacht van verzoekster dateert van 5 oktober 2022 en het protocol van 17 oktober 2022. Het College concludeert op grond hiervan dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek.
Verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij het verrichten van een doeltreffende aanpassing?
6.3 Een instelling, zoals verweerster, die werkzaam is op het gebied van gezondheidszorg, mag geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot diensten (artikel 5b, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGHB/CZ)).
6.4 Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene tot wie dit verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting vormen (artikel 2, eerste lid, WGBH/CZ). Een doeltreffende aanpassing is een aanpassing die geschikt en noodzakelijk is om belemmeringen weg te nemen (Kamerstukken II 2001/02, 16 223, nr. 3, blz. 8). Onder het verrichten van doeltreffende aanpassingen wordt in ieder geval verstaan het toelaten van een assistentiehond (artikel 2, tweede lid, WGBH/CZ).
6.5 Met de omschrijving “naar gelang de behoefte” heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de verplichting tot het verrichten van een aanpassing niet generiek is, maar afhankelijk van de situatie moet worden ingevuld. Daarbij moet het ook voor de wederpartij kenbaar zijn dat er behoefte is aan een aanpassing en tevens welke aanpassing in concreto gewenst is. Dit heet het kenbaarheidsvereiste (Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p. 2).
6.6 De verplichting om een doeltreffende aanpassing te verrichten, brengt mee dat een aanbieder van diensten verplicht is om te onderzoeken in hoeverre een oplossing mogelijk is om personen met een beperking in staat te stellen mee te doen c.q. van deze diensten gebruik te maken. Daarbij geldt: “Overleg en actief handelen is vereist” (Kamerstukken II 2013/14, 33 990, nr. 3, p. 7). Deze verplichting gaat pas in wanneer een behoefte aan een doeltreffende aanpassing kenbaar is gemaakt.
Handicap of chronische ziekte?
6.7 Verzoekster heeft een psychische kwetsbaarheid waarvoor zij in behandeling is bij de GGZ. Het College overweegt op grond hiervan dat verzoekster een chronische ziekte heeft als bedoeld in de WGBH/CZ. Verweerster heeft dit ook niet betwist. Verzoekster kan dan ook een beroep doen op de bescherming op grond van de WGBH/CZ.
Is de hond van verzoekster een assistentiehond in de zin van de WGBH/CZ?
6.8 Verzoekster heeft hierover ter zitting meegedeeld dat zodra de hond wordt opgeleid door een organisatie en de taak voor de hond duidelijk wordt, de hond een hulphond in opleiding is. Dit is de enige manier om de samenwerking tussen haar en de hond tot stand te brengen. Verweerster heeft hierover meegedeeld dat zij zich afvraagt of een assistentiehond in opleiding gelijk kan worden gesteld met een assistentiehond als bedoeld in artikel 2, tweede lid, WGBH/CZ. Het College gaat voorbij aan de beantwoording van deze vraag en zal het verzoek beoordelen op basis van artikel 2, eerste lid, WGBH/CZ (vgl. College voor de Rechten van de Mens 22 september 2020, 2020-79, overweging 6.10).
Is er voldaan aan het kenbaarheidsvereiste?
6.9 Het College stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster in juli 2021 aan verweerster heeft gevraagd of zij met haar assistentiehond mocht deelnemen aan de MBT-groepstherapie. Dit verzoek kan worden aangemerkt als een verzoek om een doeltreffende aanpassing. Hiermee heeft verzoekster voldaan aan het kenbaarheidsvereiste als bedoeld in overweging 6.5. Daarmee is voor verweerster een verplichting ontstaan om actief en in overleg met verzoekster te onderzoeken in hoeverre een oplossing mogelijk is om verzoekster met haar assistentiehond toe te laten tot de MBT-groepstherapie.
Is er voldaan aan de onderzoeksverplichting?
6.10 Het College overweegt dat niet is gebleken dat verweerster actief en in overleg met verzoekster heeft onderzocht of er een oplossing mogelijk was om verzoekster met haar assistentiehond te laten deelnemen aan de MBT-groepstherapie. Hierbij is van belang dat verzoekster steeds het initiatief heeft genomen. Verweerster desgevraagd ter zitting meegedeeld dat zij en verzoekster voortdurend met elkaar in overleg zijn geweest over dit onderwerp. Vaststaat dat verzoekster geen antwoord heeft ontvangen op haar e-mail van 20 juli 2021, waarin verzoekster heeft gevraagd of er niet in overleg kon worden bekeken wat er wel en niet kan met betrekking tot haar assistentiehond. Daarnaast heeft verzoekster ter zitting onbetwist meegedeeld dat zij ook geen antwoord heeft gekregen op haar vraag of er mensen in de groep zitten die bang of allergisch zijn voor honden.
6.11 De vertegenwoordiger van verweerster heeft ter zitting nog meegedeeld dat het toelaten van de hond tot de groepstherapie door verweerster als niet adequaat is beoordeeld, gelet op de behandeldoelstelling. Dit is een deskundigenoordeel van een arts en dat kan niet worden getoetst. Daarom was volgens haar een onderzoek in overleg met verzoekster naar een doeltreffende aanpassing niet zinvol.
6.12 Het College acht dit standpunt van de vertegenwoordiger van verweerster onjuist. Hoewel verweerster het deskundigenoordeel van een arts mag betrekken in het onderzoek naar de vraag of en in hoeverre het voor verweerster mogelijk is om een doeltreffende aanpassing te verrichten, ontslaat dit haar niet van de op haar op grond van de WGBH/CZ rustende verplichting om de betrokken belangen af te wegen en met de persoon met een handicap/chronische ziekte eventuele alternatieven te verkennen.
6.13 Het College concludeert op grond van het voorgaande dat verweerster niet voldoende heeft voldaan aan de wettelijke verplichting om, toen haar de behoefte aan een doeltreffende aanpassing bekend is geworden, in overleg met verzoekster voortvarend, actief te zoeken naar een passende oplossing waardoor zij met haar assistentiehond kon deelnemen aan de MBT-groepstherapie. Verweerster heeft in dit opzicht dan ook jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.
Is het toelaten van de assistentiehond tot de MBT-groepstherapie een doeltreffende aanpassing?
6.14 Verzoekster heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat de assistentiehond voor haar geschikt en noodzakelijk is om de belemmeringen als gevolg van haar chronische ziekte bij de MBT-groepstherapie te verminderen. Hiertoe voert zij aan dat de behandeling gericht is op emoties. Het is een belangrijke taak van de hond om haar daarbij te ondersteunen en veiligheid te bieden. Eerdere behandelingen hebben haar niet geholpen omdat zij niet bij haar emoties kan. Een hulphond kan haar helpen als de spanning te hoog oploopt, waardoor ze wel bij haar emoties kan. Hierdoor kan zij iets uit de behandeling halen.
6.15 Verweerster heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat zij het standpunt van verzoekster onderschrijft, dat zij via het contact met de hond bij haar emoties terecht kan komen. Dat kan echter ook op een andere manier en dat wordt geprobeerd in de groepstherapie; de hulphond zou verzoekster daarbij wel kunnen helpen. Ook deelt verweerster mee dat zij vindt dat zij te formeel is geweest door te zeggen dat het helemaal niet kon, zonder te proberen er samen uit te komen.
6.16 Het College concludeert op grond hiervan dat tussen partijen niet in geschil is dat het toelaten van de assistentiehond tot de MBT-groepstherapie voor verzoekster geschikt en noodzakelijk is om de beperkingen als gevolg van haar chronische ziekte te verminderen. Daarmee is het een doeltreffende aanpassing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, WGBH/CZ. Vaststaat dat verweerster deze doeltreffende aanpassing niet heeft verricht in de periode van juli 2021, toen verzoekster de aanpassing heeft gevraagd, tot februari 2022, toen zij is verwezen naar een andere GGZ-instelling. Het College acht de stelling van de vertegenwoordiger van verweerster dat er geen sprake is geweest van een weigering dan ook onjuist. Verweerster heeft dan ook jegens verzoekster onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt door de gevraagde aanpassing te weigeren. Dit is verboden tenzij de toelating voor verweerster onevenredig belastend is of er een geslaagd beroep kan worden gedaan op de veiligheidsexceptie. Het College zal hierna alleen nagaan of de doeltreffende aanpassing onevenredig belastend was voor verweerster, omdat zij geen beroep heeft gedaan op de veiligheidsexceptie.
Was het toelaten van een assistentiehond tot de MBT-groepstherapie onevenredig belastend voor verweerster?
6.17 Het College overweegt dat verweerster als enige reden voor de weigering heeft gegeven dat het toelaten van een assistentiehond haaks staat op het behandeldoel van de MBT-groepstherapie. Het College is van oordeel dat voor zover toelating van de hond inderdaad verzoekster en/of andere deelnemers aan de therapie zou belemmeren in het toewerken naar de behandeldoelen, dit een reden zou kunnen zijn om niet te voorzien in het verzoek. Verweerster heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. In dat verband moet worden opgemerkt dat verweerster vanaf 17 oktober 2022 assistentiehonden ongeclausuleerd toelaat in haar organisatie. Van een ondermijning van de behandeldoelen lijkt dus geen sprake te zijn.
6.18 Het College concludeert dat verweerster jegens verzoekster verboden onderscheid op grond handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door haar niet toe te laten tot de MBT-groepstherapie met haar assistentiehond.
7 Oordeel
Stichting Altrecht heeft jegens [. . . .] verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.
Aldus gegeven te Utrecht op donderdag 30 maart 2023 door mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.H.M. Werker, secretaris.
mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen
mr. B.H.M. Werker

